|
Antwoorden
uitgedeelde stencil Kansverdelingen (Statistiek 2) Dit zijn de antwoorden van de opgaven die in het uitgedeelde hoofdstuk staan. Het uitgedeelde hoofdstuk verwijst ook naar opgaven in het boek. Die antwoorden vind je in de helpdesk (en de uitwerkingen op de Cd-rom bij de helpdesk). Houdt er rekening mee dat de helpdesk fouten kan bevatten, zo is bijvoorbeeld het antwoord vanV4c (paragraaf 2.0) fout in de helpdesk, de uitwerking op de Cd-rom klopt wel. Opgave 1
Opgave 2
Opgave
4: Kop: p = 1/2 = 0,5 Vaas: p = 3/5 = 0,6 Dobbelsteen: p = 1/6 ≈ 0.1667
Vierkeuzevraag: p = 1/4 = 0,25 Opgave
6 a)
b)
P(X = k) = c) In theorie kan het oneindig lang duren voordat je voor het eerst zes gooit. De kans op zes verandert immers niet, ook al heb je al heel vaak geen zes gegooid. Opgave 7a) X is geometrisch. Y is binomiaal b) p = 8/20 = 0,4. Minder dan zes is 1, 2, 3, 4 of 5.
Totaal: 0,4 + 0,24 + 0,144 + 0,0864 + 0,05184 = 0,9224. Merk op: telt niet op tot 1 want er is ook een P(X=6), P(X=7), P(X=...). c)
P(hoogstens 1) = P(geen
rode) + P(1 rode) = Opgave
9: a) Dat hangt af van het aantal jongens en meisjes. Als er bijna alleen maar meisjes of bijna alleen maar jongens zijn, dan is het bij benadering normaal verdeeld. Als de verhouding ongeveer half-half is, heeft de kansverdeling waarschijnlijk twee pieken. b) Nee: een piek rond 43 (gemiddelde man) en een rond 39 (gemiddelde vrouw) c) Ja d) Nee: de uitschieters naar boven (in een 0-0-wedstrijd zelfs 90 minuten) zijn veel groter dan die naar beneden: niet symmetrisch. e) Nee: geen continue verdeling. Het staafdiagram benadert wel een klokvorm, waardoor je deze verdeling wel met een normale verdeling kunt benaderen. Opgave 10: a) De verwachting met 1 dobbelsteen is 1/6. Met twee dobbelstenen verwacht je twee keer zoveel zessen. b)
3 x
1/6 = 3/6 = 0,5. Controle:
E(X) = Opgave 13a)
E(X) = p·1 + q·0 = p b) Y is de som van n stochasten X, die allemaal verwachting p hebben. De verwachting van Y is de som van de verwachtingen van X, dus n·p. c) E(Z) = 50 · 0,4 = 20. Opgave 14 (opgave 6 uit
boek)
E(X) = 4 · E(Bernoulli-stochast) = 4 · P(rood) = 4 · 0.6 = 2,4 of met algemene formule: E(X) = (eerst met binompdf kansen uitrekenen) E(X) = 0 · 0,0256 + 1 · 0,1536 + 2 · 0,3456 + 3 · 0,3456 + 4 · 0,1296 = 2,4
Var(X) = [List Math
5:]Sum(L4) = 0,96 σ(X) = 1-Var Stats L1, L2 levert Opgave
15: a)
E(X) = (1+2+3+4+5+6) / 6 =
3,5. b)
E(Y) = 2·3,5 = 7. Var(Y) = 2 · Var(X) = 2 · 2 c)
E(Z) = 3,5n. Var(Z) = n · Var(X) = n·2 Opgave 16: a)
E(X) = 1· ½ + 0· ½ = ½ . Var(X) = (E(X)-0)² · P(X=0) + (E(X)-1)² · P(X=1) = ½²· ½ + ½²·½ =
⅛ + ⅛ =Ό. b)
E(X)
= q·0 + p·1 = p. E(X) = p, P(X=0) = q, P(X=1) = p, Var(X) = (E(X)-0)² · P(X=0) +
(E(X)-1)² · P(X=1) = p²q
+ q²p = pq(p + q) = pq, omdat p + q = 1. Opgave 17
a)
Een binomiale stochast is de
som van n onafhankelijke Bernoulli-stochasten. b)
Var(X) = n·p·q = 4 · 0,4 · 0,6 = 0,96 Opgave 19 a) 13,5 % b) 34% + 13,5% = 47,5 % c) 47,5% + 34% = 81,5 % d) 2,5 % e) 50% - 34% = 16 % Opgave
21
a)
b)
Opgave 22
a)
b) E(X) = 0 · 0,16 + 1 · 0,48 + 2 · 0,36 = 1,2 Var(X) = (1,2 0)² · 0,16 + (1,2 1)² · 0,48 + (1,2 2)² · 0,36 = 0,48 σ(X)
= c) E(S) = 15·1,2 = 18 Var(S) = 0,48·15 = 7,2 σ(S) = |