INHOUDSOPGAVE

 

Over het verhaal 2

De samenvatting: 2

Het thema: 2

Genre: 3

Opbouw van het verhaal 4

Verteltijd & vertelde tijd: 4

Tijdsvolgorde: 4

Verhaallijn: 4

Het begin van een verhaal: 5

Het einde van een verhaal: 6

Het perspectief in een verhaal 7

Ik-perspectief: 7

Hij/zij-perspectief: 7

Wisselend perspectief: 7

Alwetende verteller: 8

Tijd & plaats & hoofdpersoon 9

Tijd: 9

Plaats: 9

Hoofdpersoon: 10

Hoe/wie is de hoofdpersoon?. 10

Karakter of type: 11

Hoofdpersoon beschrijven: 11

Onderbouwen van de antwoorden 12

Argument: 12

Voorbeeld: 12

Citaat: 12


 

Over het verhaal

De samenvatting:

Als je een samenvatting moet maken van een leesboek, is het niet de bedoeling dat je het hele boek gaat navertellen en een paginalang uittreksel schrijft. Een goede samenvatting van een leesboek is ongeveer 20 regels lang. In een samenvatting moeten alleen de hoofdlijnen van het verhaal komen te staan. Maak geen opsomming van je samenvatting, maar schrijf een korte, goedlopende tekst. De volgende punten moet je in je samenvatting verwerken:

  1. Wat gebeurt er in het verhaal; beschrijf in 1 of 2 zinnen het hoofdprobleem van het verhaal. Vergeet niet ook de afloop te vertellen.
  2. Wie speelt de hoofdrol in het verhaal; beschrijf in 1 zin de hoofdpersoon/personen van je verhaal. Vermeld de belangrijkste kenmerken van de hoofdpersoon.
  3. Waar speelt het verhaal zich af; vertel in welk land, streek of stad het verhaal zich afspeelt.
  4. Wanneer speelt het verhaal zich af; vertel in welke tijd het verhaal zich afspeelt, bijvoorbeeld het verleden, het heden (nu) of in de toekomst. Probeer zo nauwkeurig mogelijk te zijn.

 

Het thema:

Met het thema van het verhaal wordt iets anders bedoeld dan het onderwerp. Een onderwerp kan bijvoorbeeld ‘pesten’ of ‘liefde’ zijn, maar in het thema zit altijd een boodschap verborgen.

·         Een thema bij het onderwerp pesten kan bijvoorbeeld zijn ‘Je moet iedereen in zijn waarde laten’ of ‘Wat kan het effect zijn van ‘grapjes’ met anderen?’

·         Een thema bij het onderwerp liefde kan zijn ‘hoeveel mag je van iemand houden’ of ‘Is liefde altijd goed voor je?’

Het thema van een verhaal bepalen is niet makkelijk en je moet over het hele verhaal nadenken om erachter te komen wat het thema van het verhaal is. Alles in het boek werkt namelijk naar het thema toe. Om het thema te bepalen kun je jezelf de volgende vragen stellen:

·         Wat is de  ‘wijze les’ van het verhaal?

·         Wat wil de schrijver je meegeven over het onderwerp?

·         Met welk probleem (gevoel/gedachte) zit de hoofdpersoon?

·         Wat ontdekt de hoofdpersoon over het onderwerp? Verandert hij/zij van mening in de loop van het verhaal?

·         Zegt het boek iets over een universeel (voor iedereen geldend) probleem?

Laatste punt; het thema is nooit één woord, maar altijd een kort zinnetje.

 

Bij het thema moet je altijd uitleggen waarom jij denkt dat dit het thema van het verhaal is. Dat doe je door verschillende punten uit het verhaal in je antwoord te verwerken. Gebruik bijvoorbeeld gebeurtenissen uit het verhaal om je antwoord te onderbouwen of verwerk citaten met uitleg in je antwoord.

 

Neem nooit klakkeloos een thema over dat je op het internet hebt gevonden, want vaak is dat gewoon het onderwerp van het verhaal. Je laat dan zien dat je 1) niet hebt nagedacht over het verhaal en 2) zaken van internet gebruikt!

 

Genre:

Met het woordje ‘genre’ (spreek uit als ‘zjaanre’) wordt de verhaalsoort bedoeld. Het genre zegt vaak ook veel over het onderwerp van het boek. Hiernaast zie je  verschillende genres                                                                                                                                                                                                                                            van jeugdboeken staan.

Op de boeken in de bibliotheek staat vaak het genre aangegeven. Dat maakt het makkelijk om boeken uit te zoeken die je leuk vindt, want lezers hebben vaak een voorkeur voor een bepaald genre, bijvoorbeeld ‘geschiedenisverhalen’ of juist ‘fantasieverhalen’. In de bibliotheek worden de genres afgebeeld met pictogrammen. Dat zijn de plaatjes die je hiernaast ziet staan. De tekst onder de plaatjes, staat er dan niet bij.


Opbouw van het verhaal

Verteltijd & vertelde tijd:

o     Verteltijd: de tijd die je erover doet om een verhaal te vertellen, bijvoorbeeld 200 bladzijden of als je het leest/vertelt 3 uur. Bij verteltijd is het belangrijk om te vertellen waarom je het boek snel of juist heel langzaam uitlas.

o     Vertelde tijd: hoeveel tijd verstrijkt er in het verhaal? Bijvoorbeeld een dag of tien jaar. Leg je antwoord bij vertelde tijd altijd uit aan de hand van voorbeelden van het boek.

De verhouding verteltijd-vertelde tijd is van belang bij de opbouw van het boek. Je kunt een boek van 500 bladzijde schrijven over een dag of een boek van vijftig bladzijden over tien jaar. Dat is afhankelijk van het weglaten, overslaan van aspecten van het verhaal of juist van uitweiden en zeer gedetailleerd vertellen.

o     Tijdsverdichting: in een paar regels wordt een gebeurtenis samengevat. De schrijver vertelt zeer kort over een gebeurtenis.

o     Tijdssprong: de schrijver slaat een gebeurtenis/gebeurtenissen over. (een verhaal blijft chronologisch)

o     Tijdsvertraging: de schrijver vertelt zeer uitgebreid, met veel details, bijvoorbeeld over de omgeving, gevoelens. Hierdoor vertraagt het verhaal.

o     Vooruitwijzing;  in enkele woorden of zinnen zegt de persoon iets over het verloop van het verhaal, wat je nog niet kunt weten. De verteller van het verhaal weet dus al wat er gaat gebeuren en maakt een toespeling. De gebeurtenissen van het verhaal worden niet onderbroken.

o     Flash-back: het verhaal wordt wel onderbroken en je leest over eerdere gebeurtenissen.  De persoon denkt terug of vertelt iets van vroeger wat je als lezer te weten komt. Een flash-back kan ook in de vorm van een brief, foto, verhaal dat iemand vertelt voorkomen.

 

Tijdsvolgorde:

o     Wordt alles verteld in de juiste volgorde van tijd, dus zoals het in de werkelijkheid ook is gebeurd? Dan is het verhaal chronologisch. Je hebt dan geen flash-backs en tijdens het lezen kom je geen zaken te weten die eerder al zijn voorgevallen.

o     Wordt het verhaal niet in de juiste volgorde van tijd verteld? Dan noemen we het verhaal niet-chronologisch. Je komt tijdens het lezen zaken te weten die eerder gebeurd zijn dan wat je op dat moment leest.

Zaken die eerder gebeurd zijn, kunnen verteld worden in een flashs-back, bijvoorbeeld een herinnering of een verhaal dat iemand vertelt. Je kunt zaken uit het verleden ook als een apart stuk (of meerdere stukken) in het boek lezen. Ze zijn dan een uitstapje naar een andere verhaallijn, die vaak wel te maken heeft met de andere verhaallijn (of verhaallijnen).

 

Verhaallijn:

De verhaallijn is de rode draad die door het hele verhaal loopt. Een verhaallijn draait om 1 centraal probleem of centrale vraag. Sommige boeken hebben meerdere verhaallijnen, elk met hun eigen rode draad. Die meerdere verhaallijnen kruisen elkaar meestal en soms overlappen de verhaallijnen elkaar soms. Gedurende het verhaal kruisen de verhaallijnen elkaar soms. Pas aan het einde echter kan jij als lezer en kunnen de hoofdpersonen zien welke invloed ze op beider leven hebben uitgeoefend.

 

Een heel simpel voorbeeld van meerdere verhaallijnen is een soap als ‘Goede tijden, Slechte tijden’. In het verhaal spelen tegelijkertijd meerdere verhaallijnen, maar op bepaalde punten kruisen die verhalen elkaar of raken ze in elkaar verstrengeld.

Een voorbeeld van meerdere verhaallijnen is het boek ‘Paniek’ van Carry Slee. In het kort de twee verhaallijnen:

o   Sasja; ze is met haar moeder ingetrokken bij de  nieuwe vriend van haar moeder, Koen, en zijn zoon Felix. Sasja wordt lastig gevallen door Felix, maar tegen wie moet ze dat vertellen, wie zal haar geloven..?

o   Jorrit; hij ontdekt bij toeval dat zijn beste vriend, Ruben, op jongens valt. Jorrit weet niet wat hij hiervan moet vinden en probeert het een plek te geven. De vriendschap tussen Jorrit en Ruben komt aardig onder druk te staan, zeker als de jongens op school Ruben op een wel erg onvriendelijke manier duidelijk maken hoe zij over hem denken. Moet Jorrit voor zijn vriend opkomen met het risico dat hij ook een pispaal wordt..?

Op bepaalde punten komen de verhaallijnen bij elkaar en kruisen de gebeurtenissen elkaar, want zonder het van elkaar te weten zijn Jorrit en Sasja verliefd, op elkaar natuurlijk.

 

Het begin van een verhaal:

Een schrijver kan een verhaal op verschillende manieren beginnen te vertellen:

  • Met een inleiding: de schrijver introduceert dan vaak de hoofdpersonen, de plaats waar het zich afspeelt en vertelt een stukje van de voorgeschiedenis. Met een inleiding zorgt de schrijver ervoor dat je al wat informatie hebt voordat je begint met het lezen van het echte verhaal. Zo’n inleiding wordt ook wel eens een ‘proloog’ genoemd.
  • Aan het begin van de echte gebeurtenissen: waar het verhaal daadwerkelijk begint, begint de schrijver ook met vertellen. Je hebt geen ‘voorafje’ gehad, maar je valt ook niet midden in het verhaal
  • In het midden van de gebeurtenissen: je valt midden in het verhaal, pas verderop in het boek kom je als lezer te weten wat er daarvoor gebeurd is. Het verhaal wordt dus niet helemaal op de juiste volgorde verteld. (!! Verwar dit niet met een verhaal dat midden in een heftige gebeurtenis begint, maar eigenlijk aan het begin van het werkelijke verhaal.) Als het verhaal in het midden in de gebeurtenissen begint, moet je altijd op de een of andere manier een terugblik krijgen, naar de gebeurtenissen die aan het begin zijn geweest.
  • Aan het einde van de gebeurtenissen: de verteller vertelt achteraf het hele verhaal als in een grote terugblik.

 


 

Het einde van een verhaal:

Maar weinig verhalen hebben een echt eindpunt, waarin je met de hoofdpersoon meeleest totdat hij/zij overlijdt, zodat er daarna helemaal niets meer kan gebeuren. En je leest in boeken ook bijna nooit ‘ze leefden nog lang en gelukkig’ zoals in sprookjes. Toch hebben alle verhalen een einde, dat min of meer het verhaal afrondt. We onderscheiden bij fictie twee soorten eindes:

  • Het gesloten einde: een gesloten einde houdt in dat het hoofdprobleem is opgelost, de hoofdvraag is beantwoord. Dus de grote vraag/ het grote avontuur dat speelde in het boek is tot een einde gekomen.
  • Het open einde: een open einde houdt in dat het hoofdprobleem niet is opgelost, de hoofdvraag blijft open, je weet dus niet hoe het verhaal zal aflopen.

Open of gesloten eindes hebben niets te maken met verhalen waarvan meerdere boeken zijn verschenen. Neem bijvoorbeeld de ‘Harry Potter-serie’ Er zijn wel zes boeken, maar elk boek heeft een afgerond verhaal, waarin het hoofdprobleem van dat boek wordt afgerond, dus een gesloten einde

Een open einde heeft ook niets te maken met het feit of je er nog heel veel bij kunt bedenken of dat je niet weet hoe het verder gaat. Open of gesloten heeft alleen te maken met een wel of niet afgerond hoofdprobleem.

  • De cliffhanger: in televisieseries, zoals Goede Tijden, Slechte Tijden, heb je bijna altijd open eindes. Deze eindes zorgen dat de kijkers de volgende dag weer voor de buis gekluisterd zitten omdat ze willen weten hoe het verder gaat. Sterker nog, de programmamakers proberen op een zo spannend mogelijk moment te stoppen, zodat iedereen razend nieuwsgierig wordt. De cliffhanger (letterlijk vertaald ‘het hangen aan een klif’, wat best een spannend moment is om een serie te stoppen) maakt de kijker dus een beetje verslaafd, want stiekem wil je dan toch weten hoe het afloopt.

 

Het perspectief in een verhaal

 

Je weet nu dus dat we met perspectief in een verhaal bedoelen ‘door de ogen van welk persoon je alle belevenissen meemaakt’.  Van die persoon lees je dus niet alleen wat hij of zij doet, maar ook wat hij of zij denkt en voelt. Over de andere personen lees je ook wel dingen, maar niet wat ze denken en voelen.

We kennen verschillende soorten perspectief. Een schrijver kan kiezen door welk verhaalpersonage hij het verhaal laat vertellen.

 

Ik-perspectief:

De ik-persoon vertelt het hele verhaal. Je ziet alle personen, gebeurtenissen en situaties vanuit het standpunt van de ik-figuur. Je weet dus alles wat deze ‘ik’ denkt, voelt en ziet.

Voorbeeld     “Ik wist niet hoe ze me gevonden hadden. En het kon me ook niet

Schelen ook. Als ze me maar met rust lieten. Ik wilde met niemand

praten, zeker niet op de radio. En al helemaal niet over Korczak en zijn

weeshuis. Door de open ramen kwam het straatleven binnen. Getoeter,

muziek en de hitte van Tel Aviv. De jongeman tegenover mij was vol

energie.”[1]

 

Hij/zij-perspectief:

De schrijver kruipt in de huid van één verhaalpersonage. De schrijver vertelt het verhaal vanuit het perspectief van die persoon, die ‘hij’ of ‘zij’ wordt genoemd. Vaak noemt de schrijver ook de naam van het personage. Als lezer weet je evenveel als de hij/zij-persoon.

Voorbeeld     “Stefan schoof zijn voetbalplunje naar het midden van de kamer en

zette het raam open, want het stonk werkelijk vreselijk: een muffe

grondlucht vermengd met zuur zweet. Maar daarom hoefde zijn

moeder toch niet zo uit haar dak te gaan, dacht hij. Die kleren zijn na

vijf minuten toch weer vuil. Op het veld ruik je dat niet. Bij de meesten

staat de schimmel in hun tas, behalve bij Frits en Davie, de heertjes.

Keurig gestreken shirtjes en broekjes, gewassen kousen en in het veld lopen ze te krukken. Wat heb je aan die gasten?” [2]

 

Wisselend perspectief:

Je kijkt in het verhaal met meerdere mensen mee. Je leest dus de gevoelens en gedachten van meerdere personages. We noemen het wisselend perspectief omdat je het verhaal dus vanuit verschillende personen meemaakt.  Er zijn meerdere mogelijkheden om van perspectief te wisselen:

o     Je leest dezelfde gebeurtenis meerdere keren, maar vanuit verschillende personages. Je weet dan hoe verschillende mensen dezelfde gebeurtenis meemaken en vooral ook hoe zij zich voelen en wat ze denken.

o     Je leest verschillende gebeurtenissen vanuit verschillende personages. Alle stukken samen vormen het hele verhaal. De stukken vullen elkaar aan. Je leest over een gebeurtenis telkens maar hoe één persoon zich voelt en wat hij/zij denkt.

 

Bij een wisselend perspectief kom je wel telkens het ik-perspectief of het hij/zij-perspectief tegen. Het verschil met die perspectieven is dat je hier telkens met iemand anders meeleest.

Voorbeeld:    In het boek ‘Bloedgeld’ [3] lees je eerst een stuk mee met Reinout (hoofdpersoon) in het hij-perspectief en later een heel stuk met Lutske (andere hoofdpersoon) in het zij-perspectief.

                   “Reinout pompt zo hard hij kan, maar het water wint langzaam terrein. Hij heeft ieder begrip van tijd verloren en is zich alleen nog maar bewust van zijn zere armen, zijn bloedende handen en een groeiend gevoel van paniek.”

                   Lutske snuift als een wild dier de etensgeuren op; oesters, haring, gepekeld vlees, stukken wildbraad… Ze voelt het voedsel al op haar tong; de pijn in haar rommelende maag wordt erger.”

 

Het wisselend perspectief moet je dus benoemen als wisselend hij/zij-

perspectief of wisselend ik-perspectief.

Alwetende verteller:

De verteller van het verhaal weet alles van het verhaal en de personages. Hij weet hoe het verhaal afloopt, hoe iedereen zich voelt, maar doet niet mee in het verhaal. Hij weet dus alles en laat dat soms zelfs duidelijk merken aan de lezer door commentaar te geven tijdens het verhaal. Soms laat de alwetende verteller je zelfs van alle personages in dezelfde gebeurtenis weten wat ze denken en wat ze voelen. Een goed voorbeeld van de alwetende verteller zijn sprookjes. Je merkt in een sprookje ook duidelijk dat de verteller aan het woord is. In tegenstelling tot in andere verhalen is de verteller duidelijk voelbaar als iemand die als het ware boven het verhaal staat en alles weet, ziet en merkt. De verteller weet dan ook zaken die je niet door de ogen van de hoofdpersonen had kunnen meemaken.

Voorbeeld     Er was eens een houthakker met zijn vrouw en die hadden zeven

kinderen, allemaal jongens: de oudste was pas tien jaar en de jongste al zeven. Misschien vind je het vreemd dat de houthakker in zo weinig tijd zoveel kinderen had, maar hij had een rappe vrouw, die er altijd minstens twee tegelijk kreeg.”[4]


Tijd & plaats & hoofdpersoon

 

Tijd:

Met tijd bedoelen we: het jaartal / de eeuw / verleden – heden – toekomst, waarin het verhaal zich afspeelt. Het is lastig om exact een jaartal te noemen als dat niet letterlijk in het boek staat. Bij tijd geef je in ieder geval aan of het verhaal speelt;

        In het verleden / de geschiedenis – middeleeuwen / Gouden Eeuw / Romeinse tijd / WOII

        In het heden / de tijd waarin we nu ongeveer leven

        In de toekomst / een tijd die nog moet komen. (dit komt vaak voor bij science fiction verhalen.

Als je dit bepaald hebt, probeer je nog wat nauwkeuriger te zijn. Vaak kun je veel aanwijzingen vinden over de tijd van een verhaal. De tijd van een verhaal kun je afleiden uit de volgende zaken;

        Gebeurtenissen in het verhaal: de jacht op heksen, jodenvervolging, slavenhandel, de pest die uitbreekt, kruistochten

        Werkelijke historische feiten: de Franse revolutie in 1789, Piet Hein en de Zilvervloot in 1628, de verbranding van Jeanne d’Arc in 1421 of het Europees kampioenschap van het Nederlands elftal in 1988.

        Gebruiken, leefomstandigheden, culturen, geloof: de ‘gilden’ (soort vakbonden uit de middeleeuwen), mensen die onder vreselijke omstandigheden in de fabrieken moeten werken.

        Spullen die ze hebben/gebruiken: mobieltjes, harnassen, paard en wagen, kookpotten.

Als je deze en andere zaken combineert, heb je vaak een aardig goed idee wanneer het verhaal zich afspeelt. Belangrijk is dat je je antwoord goed uitlegt aan de hand van voorbeelden uit je boek. Geef ook altijd een  meerdere citaten die je antwoord ondersteunen.

Voorbeeld:      Het verhaal speelt zich af in de middeleeuwen. Dat weet ik omdat ze het

in het boek hebben over ‘het beeldsnijdersgilde’,  de pest (een vreselijke

ziekte uit de middeleeuwen), ze hebben oliepitjes en maliënkolders.

Citaten waarin dit voorkomt: “Ik zie hem nog binnen daveren; gedeukte

helm op, maliënkolder, zo’n opperkleed van ijzeren ringetjes.” Blz. 44.

& “Het is de pest, riep de chirurgijn, ‘deze stad is aan de pest ten onder gegaan!’ Blz. 13. [5]

 

Plaats:

Met plaats bedoelen we; de stad / de streek / het land / het werelddeel waar het verhaal zich afspeelt. Met plaats wordt dus niet bedoeld ‘op school, bij haar thuis..’ De plaats van een verhaal kun je afleiden uit verschillende zaken:

        De omgeving; hoe ziet de omgeving eruit? Bergen, vlak, tropische planten, dijken, westers of juist een ontwikkelingsland

        Het klimaat; tropische warmte, regenachtige dagen, Siberische kou

        De namen van plaatsen, mensen, winkels, cafés: café ‘De doorzakkers’, namen als ‘Zamito’ en ‘Paulinho’, straatnamen als ‘St. Barnabystreet.

        Gebruiken, cultuur, geloof, woorden, de munteenheid; leerlingen die een uniform moeten dragen, een ‘n’ anga’ (medicijnman), ₤ 50.

Als je al deze zaken combineert, heb je vaak een aardig idee waar een verhaal zich afspeelt. Uiteraard lukt het niet altijd de plaats exact te benoemen, maar een eind in de goede richting is ook mooi. Belangrijker is dat je uitlegt waarom je dat denkt en daarbij een citaat geeft.

Voorbeeld;     Het verhaal speelt zich in Engeland af, want de leerlingen dragen uniformen

als ze naar school gaan en ze betalen met ponden. Dat kan ik zien in de

volgende citaten “Op die achterlijke school van ons moet je bij je

buitenuniform een baret op.” Blz. 50 & “De mascara en oogschaduw kostten

me maar liefst ₤12, alsof ik zoveel zakgeld krijg.” Blz. 106. Uit; Tijgers, tanga’s

en tongzoenen, Louise Rennison.

Hoofdpersoon:

De hoofdpersoon is de belangrijkste figuur in het boek. Sommige boeken hebben één hoofdpersoon, andere boeken hebben meerdere hoofdpersonen. Vaak draait een verhaal om die hoofdpersoon en zijn/haar problemen. Hij wil bijvoorbeeld zijn vriendin terug krijgen of een moord oplossen of uit handen van de vijand blijven. Soms is een probleem niet zo duidelijk ‘een letterlijk probleem’. Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat de hoofdpersoon heel onzeker is of over het verlies van een vriend heen moet komen.

In het verhaal maakt de hoofdpersoon vaak dingen mee waarmee hij/zij het probleem kan overwinnen of de moeilijkheden het hoofd kan bieden. Er zijn hindernissen, gevaren of moeilijkheden. Dat kunnen andere personen zijn die hem dwarszitten maar de omstandigheden kunnen het oplossen van het probleem ook erg lastig maken.

De hoofdpersoon wil altijd iets, maar hoeft niet steeds een moedige, zelfverzekerde figuur te zijn. Hij kan ook onzeker zijn, net zoals mensen in de werkelijkheid. Soms zijn hoofdpersonen het slachtoffer van een situatie; ze zijn bijvoorbeeld in de steek gelaten door hun ouders of hun vrienden.

Je kunt de hoofdpersoon in een verhaal op twee manieren bekijken;

  • Hoe/wie is de hoofdpersoon?
  • Hoe verandert de hoofdpersoon door de gebeurtenissen in het verhaal?

 

Hoe/wie is de hoofdpersoon?

In bijna geen enkel boek lees je de eerste vijf bladzijden uitgebreid wie/hoe de hoofdpersoon is. Meestal leer je de hoofdpersoon beter kennen naarmate je verder bent in het verhaal. In het verhaal lees je van alles over de hoofdpersoon. Soms wordt er letterlijk iets gezegd, maar meestal moet je ‘tussen de regels doorlezen’ om te weten te komen hoe de hoofdpersoon is. Alles wat je leert over de hoofdpersoon is van belang om de hoofdpersoon goed te kunnen beschrijven.

Je leert de personen in verhalen op de volgende manier kennen:

1.    door wat ze doen en zeggen,

2.    door hun reacties in moeilijke situaties en op anderen,

3.    door wat ze denken, voelen, willen, moeilijk vinden,

4.    door wat andere personen over hen denken of zeggen,

5.    door wat de verteller over hen zegt,

 

Eigenlijk is het beschrijven van de hoofdpersoon heel makkelijk, het hele boek draait immers om hem/haar. Maar dat betekent wel dat je aandachtig moet lezen en dat je tijdens het lezen aantekeningen moet maken. Doe je dit, dan schrijf je met gemak vijf bladzijden vol over de hoofdpersoon. Maak je geen aantekeningen en denk je niet goed na, dan krijg je niet meer dan een paar zinnen op papier over de hoofdpersoon.

Karakter of type:

Je kunt hoofdpersonen in twee groepen verdelen: personen die in de loop van het verhaal veranderen of personen die gelijk blijven door het hele verhaal heen.

·         In de betere jeugdboeken waarin de hoofdpersoon een probleem moet oplossen, verandert hij of zij. In zulke boeken ligt de nadruk op de gedachten en gevoelens van de hoofdpersoon. Hij/zij ontwikkelt zich tot een echt mens met allerlei karaktereigenschappen en eigenaardigheden. Het gedrag van zo’n hoofdpersoon is meestal niet erg voorspelbaar. Dat maakt hem of haar juist interessant en het verhaal boeiend. Een persoon met allerlei eigenschappen noemen we een karakter.

·         Hoofdpersonen die bijna niet veranderen zie je in verhalen waarin de nadruk op het avontuur ligt en in serieboeken (De kippenvelserie of de Kameleon bijvoorbeeld), stripboeken en televisieseries. Die hoofdpersonen zijn makkelijk herkenbaar. Je weet precies hoe ze zullen reageren en ze hebben vaak niet veel verschillende karaktereigenschappen. Een persoon met maar 1 karaktereigenschap, die door het verhaal heen niet echt verandert, wordt een type genoemd

 

Hoofdpersoon beschrijven:

Als je de hoofdpersoon in je boek moet beschrijven moet je in ieder geval de volgende punten behandelen:

  • Het innerlijk van je hoofdpersoon
  • Het uiterlijk van je hoofdpersoon
  • Leeftijd, familie, school, hobby’s, andere opvallende, belangrijke zaken
  • De ontwikkeling van de hoofdpersoon in het verhaal
  • Is de hoofdpersoon realistisch en kon je je inleven?

Maak bij het beschrijven van je hoofdpersoon altijd gebruik van citaten en voorbeelden, zodat degene die je verslag leest, zich ook kan inleven in de hoofdpersoon.


Onderbouwen van de antwoorden

Argument:

Een argument is een reden waarmee je uitlegt waarom jij iets vindt. Dus waarom jij denkt dat het boek een bepaald perspectief heeft of dat je hoofdpersoon een karakter is. Alleen maar zeggen ‘mijn boek heeft een ik-perspectief’ en er verder niets bij uitleggen is niet voldoende. Het gaat er juist om dat je het antwoord onderbouwt met argumenten. Citaten en voorbeelden kun je uitstekend gebruiken bij argumenten bij je mening of antwoorden. 

“Het boek ‘De gele scooter’ heeft een wisselend hij/zij-perspectief. Je leest in dit verhaal wisselend mee met Wies, Isis en Spike. Je leest daarin telkens over hij of zij, vandaar hij/zij-perspectief. Aan de volgende citaten kan je zien dat je met verschillende personen meeleest.

    • vanuit Isis (boven het hoofdstuk staat dan Isis) “Ze weet haast zeker dat ze veel fouten heeft gemaakt.” (blz. 5)
    • vanuit Spike ……………
    • vanuit wies ………………

Voorbeeld:

Bij een voorbeeld hoef je niet letterlijk een stukje uit het verhaal over te nemen, maar je vertelt iets na in je eigen woorden. Belangrijk hierbij is dat je duidelijk beschrijft over welke gebeurtenis je vertelt en dat je het duidelijk en uitgebreid beschrijft. Vergeet namelijk niet dat je het zo moet vertellen dat iemand die het verhaal niet kent het ook begrijpt en nog belangrijker, kan voelen wat jij bedoelt.

Het was een indrukwekkend boek, want ik kon me erg goed inleven in de hoofdpersonen. Als Martin wordt aangevallen, lees je dat hij van een vriendelijk altijd vrolijk persoon verandert in iemand die erg kwaad kan worden. Als hij op een avond in een stil steegje wordt aangevallen, gaat zijn bloed echt koken en hij merkt zelf dat hij ontzettend boos begint te worden, terwijl hij normaal altijd vriendelijk is en iedereen aardig vindt. Hij wordt vooral kwaad omdat ze zijn vriendin Fanny bedreigen.

Citaat:

Een citaat is een letterlijk overgenomen stukje uit het boek. Citaten zijn erg belangrijk in een goed boekverslag, want daarmee laat je zien dat je weet waar je over schrijft. Het citaat laat zien wat je precies bedoelt met het antwoord. Geef bij een antwoord niet alleen een citaat, maar leg altijd uit waarom je juist dat citaat kiest. 

     Het was een indrukwekkend boek, want ik kon me erg goed inleven in de hoofdpersoon. Als Martin, een van de hoofdpersonen wordt aangevallen, voel je zijn woede omdat ze zijn vriendin bedreigen.”Het deed pijn, maar dat was niet waar Martin het meeste last van had. Het was de complete verrassing van de aanslag die hem van slag had gebracht. Geen moment had hij kans gehad op een reactie of een verdediging en dan dat laatste zinnetje ‘De groeten aan Fanny’. En op dat moment begon er iets te veranderen. Martin, de man die nauwelijks wist wat ruzie of agressie was, werd kwaad, verschrikkelijk kwaad.”(blz. 113). In dit citaat zie je dat hij verandert, van vriendelijk naar echt verschrikkelijk boos.

Een citaat zet je altijd tussen aanhalingstekens en je vermeldt het bladzijdenummer. Door het lettertype te veranderen of het schuin te drukken, kun je nog duidelijker maken dat het hier een citaat betreft.

 

 



[1] Uit ‘Mosje en Reizele’ van Karlijn Stoffels

[2] Uit ‘Kopbal’ van Carl Driessen

[3] ‘Bloedgeld’ van Simone van der Vlugt

[4] Uit ‘De sprookjes van moeder de gans’ van Charles Perrault

[5] Uit ‘Pest’ van Henk van Kerkwijk