InleidingHet verhaal van Victor & Sarah |
||||
|
"Het verhaal van Victor van Aveyron vertelt over
een in het wild levende jongen die aan het eind van de 18e eeuw
ontdekt werd er in de bossen van Aveyron, Frankrijk. De 12-jarige Victor werd
gevangen genomen en onder de mensen gebracht. Met name de arts en logopedist
Jean-Marc Itard probeerde Victor te heropvoeden en hem de Franse taal te
leren. Maar de pogingen om Victor een taal te leren, strandden bijna
volledig. Aangezien Victor zijn jeugd niet onder mensen had doorgebracht en
dus geen menselijke taal had geleerd, was hij niet in staat tot het begrijpen
van zo'n taal; zelfs de meest eenvoudige taaluitingen hadden voor hem geen
betekenis. Naar aanleiding van zijn minimale vorderingen op
taalverwervingsgebied veronderstelde men dat hij idioot was of een
beschadiging aan de stembanden had. De idiote indruk die Victor maakte kwam
waarschijnlijk door zijn onvermogen om taal te produceren en niet zozeer door
het feit dat hij inderdaad geestelijk incompetent zou zijn geweest een taal
te leren. Victor kwam pas toen hij twaalf was onder de mensen en moest zich
in allerlei (vaak gedwongen) bochten wringen om te kunnen communiceren. Maar
omdat hij de taal niet sprak, ging hij vreemde geluiden, gebaren en klanken
produceren die de mensen opvatten als het bewijs dat Victor geestelijk niet
in orde was." |
||||
|
De onderzoeksvraag Als je afgaat op het
verhaal van Victor dan zou de moedertaal aangeleerd worden. Victor had die
taal nooit aangeboden gekregen en had, door het ontbreken van een talige
omgeving, geen moedertaal ontwikkeld. Een kind zou zijn moedertaal dus leren
uit het taalaanbod van de omgeving. Taal zou dus aangeleerd worden. Maar de
mensaap bleek, ondanks overmatig taalaanbod niet in staat, de menselijke taal
te leren. Daarop gebaseerd, zou men kunnen concluderen dat het leren van een
taal aangeboren is. Victor en Sarah vertegenwoordigen in dezen twee kanten
van het taalverwervingsproces; is taal
aangeboren of aangeleerd? Mijn onderzoeksvraag van
deze paper is "Is taal aangeleerd of aangeboren?" Aan de hand van
die onderzoeksvraag wil ik uit zoeken in hoeverre de omgeving van invloed is
op het leren van de moedertaal en welke rol het aangeboren vermogen van een kind
daarin speelt. Om dit te onderzoeken, heb
ik het nature-nurture debat centraal gesteld. Door de argumenten voor en
tegen beide kanten nader te bekijken en af te wegen, kan een inzicht
verkregen worden in de factoren die een rol spelen in het
taalverwervingsproces. Omdat een onderzoek naar het antwoord op de vraag, niet haalbaar is, heb ik me beperkt tot |
||||
|
"Een voorbeeld van een poging om een mensaap, de
meest met de mens overeenkomende diersoort, de menselijke taal te leren, is
het experiment met de chimpansee-baby Vicky. Vicky werd vanaf haar geboorte
opgenomen in een gezin om de omstandigheden waarin ze taal moest verwerven
zoveel mogelijk te laten overeenkomen met die van een kind. De eerste
leerling die bij de docent een briefje inlevert met de tekst ‘ik heb het
gelezen’ krijgt een zak snoep.’Maar na zes jaar hadden de verwoede pogingen
van de onderzoekers maar een matig resultaat. Vicky had een zeer beperkte
beheersing van de menselijke taal en was in staat tot het produceren van
welgeteld vier woorden. De uitkomst van dit experiment had tot op zekere
hoogte voorspeld kunnen worden omdat een chimpansee niet over een geschikt
articulatie-apparaat beschikt om de klanken van de menselijke taal te
produceren. Jaren later voerden onderzoekers een experiment uit met
de chimpansee Sarah. De onderzoekers leerden Sarah niet de klanken van de
menselijke taal produceren, maar ze leerden de chimpansee een soort
symbolensysteem voor woorden uit een menselijke, natuurlijke taal. Sarah
bleek goed in staat tot een bepaalde symbolische vorm van communicatie. Ze
had geleerd bepaalde symbolen te verbinden met bepaalde voorwerpen en ze kon
denkoperaties uitvoeren die leken op denkprocessen van de mens. Maar de
structuur van haar taaluitingen bleef ver achter bij het taalgebruik van een
jong kind. Bij Sarah was er ook geen sprake van een spontaan proces, maar de
matige resultaten waren het resultaat van intensieve oefeningen, terwijl een
kind zonder direct onderwijs zijn taal verwerft. " |
||||
|
Het nature -nurture-debat
is de vraag welke invloed het aangeboren vermogen (=nature) aan de ene kant
en het aanbod van de omgeving (=nurture) aan de andere kant speelt bij de
moedertaalverwerving van een kind. Wordt een taal aangeboren of aangeleerd? "In de zevende eeuw voor Christus gaf de Egyptische farao
Psammetikos een doofstomme geitenhoeder de opdracht twee kinderen groot te
brengen in volledig isolement. Psammetikos was van mening dat de kinderen
spontaan een taal zouden gaan ontwikkelen. Hij had zich namelijk ten doel
gesteld te achterhalen wat de oudste taal van de wereld was. De eerste
taaluitingen van de kinderen, niet beïnvloed door de omgeving, zouden de
zuivere weerspiegeling zijn van de taal van de vroegste mens. Het eerste
woord dat de kinderen uitten is 'bekos' Frygisch voor brood. Psammetikos
concludeerde dat Frygisch de oertaal van de mens is."[1] |
||||
|
Psammetikos was blijkbaar
van mening dat kinderen geen aanbod uit de omgeving nodig hebben om een taal
te leren, maar dat alle kinderen over een soort aangeboren vermogen van taal
beschikken. Dat zou inhouden dat de primaire taalverwerving van kinderen
onafhankelijk van de omgeving en het taalaanbod verloopt. Hiermee was hij
eigenlijk de grondlegger van de theorie van het aangeboren taalvermogen. Het
vermogen om een taal te leren zou dan gebaseerd zijn op biologisch
gedefinieerde, aangeboren eigenschappen. Er zijn een paar argumenten die aan
de orde komen als je de vraag stelt of een taal aangeboren of aangeleerd is. Allereerst zien we bij
alle kinderen uit alle culturen uit de wereld een vaste volgorde van patronen
in de taalverwerving terug, ongeacht de omgeving. Dat vaste patroon in de
moedertaalverwerving, ondersteunt het idee dat alle pasgeborenen een
programma meekrijgen om een taal te leren. Het tweede argument van
het veronderstellen van een aangeboren taalvermogen is de aanwezigheid van
een kritieke periode. Gerelateerd aan het bestaan van verschillende fases in
het verwerven van moedertaal is het feit dat er een kritieke leeftijd is
waarna het vermogen om een taal te leren beduidend minder wordt. Een ander argument om te
veronderstellen dat kinderen een aangeboren programma hebben is het
'poverty-of -the-stimulus' argument. (Onder stimulus worden de uitingen van
de ouders en andere sprekers in de omgeving van het kind verstaan.) Kinderen blijken in staat te zijn ingewikkelde
regels van de grammatica van een taal te leren, zonder dat ze daar expliciet
onderricht in hebben gekregen. De uniformiteit en
snelheid waarmee kinderen hun moedertaal verwerven en het feit dat bepaalde
vormen van de grammaticale kennis zich manifesteert bij kinderen zonder dat
ze die geleerd hebben van hun omgeving, doen vermoeden dat een gedeelte van
de grammaticale kennis aangeboren is. Die aanwezige kennis van de grammatica
wordt ook wel de Universele Grammatica genoemd. Roger Bacon zei in de 13e
eeuw "de grammatica van alle talen
is in wezen gelijk, al zijn er marginale variaties. Daarom kent iemand die de
grammatica van een taal kent, tegelijk de grammatica's van alle talen,
voorzover het de essentie betreft."
Hiermee gaf hij eigenlijk al
het bestaan aan van een universele kerngrammatica. Met de Universele
Grammatica worden de verschillende bouwstenen en eigenschappen, waarin de
grammatica's van alle natuurlijke talen overeenkomen, bedoeld. De principes
van de Universele Grammatica zeggen niet hoe elke grammatica van een
afzonderlijke taal er uitziet, maar hoe de grammatica van een taal er uit kán
zien. Alle kennis die een kind verwerft moet dus in overeenstemming zijn met
de principes van de Universele Grammatica. Die principes beperken het kind
dus in zijn keuzes bij de verwerving van de moedertaal. Zonder die
beperkingen zou een taal allerlei verschillende combinaties van allerlei
verschillende grammatica's kunnen vertonen, waardoor een taal niet leerbaar
zou zijn. Een kind moet dus uit die aangeboren universele grammaticaregels de
regels voor zijn eigen moedertaal selecteren. Maar als kinderen over een
aangeboren taalverwervingsvermogen beschikken, hoe zijn ze dan in staat de
regels van hun specifieke moedertaal te selecteren? Immers, het ene kind
verwerft zich het Bengali, het andere kind Tagalog als moedertaal en weer een
ander kind het Nederlands, onafhankelijk van de natuurlijke ouders of
afkomst. Blijkbaar horen kinderen om zich heen op welke wijze ze invulling
moeten geven aan de kennis van de grammatica die bij hun aangeboren is. De
Amerikaanse geleerde Noam Chomsky uit de jaren 60, was de grondlegger van de
aangeboren taalverwervingsvermogenstheorie. Van hem kwam de hypothese dat we
allemaal ter wereld komen met dezelfde blauwdruk in ons hoofd. Het aangeboren
taalvermogen noemde hij het Language Acquisition Device. Hij ging ervan uit
dat de talige gegevens uit de omgeving het LAD bereikten en werden verwerkt
en dat een kind op basis daarvan zijn kennis van de moedertaal reconstrueert. |
||||
Taalaanbod
uit de omgeving
|
à
|
Aangeboren taalverwervings-vermogen
|
à
|
Interne grammatica
|
|
De
taalverwervingsperiodes (nul tot één jaar) De prelinguale of
voortalige periode is de fase van het taalverwerven waarin het kind
spraakklanken kan waarnemen en produceren. Het waarnemen van spraakklanken is
bijvoorbeeld het verschil tussen stemhebbendheid en stemloosheid, zoals dat
tot uiting komt in de syllaben /ba/ en /pa/. Dat kinderen deze klankparen
kunnen onderscheiden voor ze twee maanden oud zijn, is aangetoond door middel
van proeven met de HAS-techniek. HAS is de afkorting van
high-amplitude-sucking, de onderzoekstechniek waarbij de frequentie van het
zuiggedrag van een zuigeling wordt gemeten om de habituatie van bepaalde
spraaksignalen te onderzoeken. [2] |
||||
Eimas, Siqueland, Juszyck en Vogorito
(1971) hebben de HAS-techniek voor het eerst op succesvolle wijze toegepast.
Zij wisten aan te tonen dat baby's spraakklanken op gelijsoortige wijze
discrimineren als volwassenen. Wanneer een duidelijke /pa/klank via kleine
akoestische veranderingen stapsgewijs wordt omgezet in een /ba/klank, blijkt
voor baby's op ongeveer dezelfde plaats als voor volwassenen de warneming
/pa/ plotseling om te slaan in /ba/. Eimas en zijn collega's concludeerden op
grond van dit soort onderzoek dat kinderen geboren worden met een vermogen om
de belangrijkste taalonderscheidingen waar te nemen.
|
||||
|
In de prelinguale periode
onderscheidt men meestal een aantal subperiodes, die moeilijk af te grenzen
zijn. allereerst zijn er vaak grote verschillen tussen kinderen, zonder dat
men direct van afwijkingen kan spreken. Ten tweede zijn er allerlei
overgangen, waarin kenmerken van de vorige perioden al samengaan met kenmerken
uit de nieuwe periode. De verschillende stadia volgens Stark (1979) [3] 1.
Schreien: in deze fase produceert een kind enkel door reflexen veroorzaakte
geluiden zoals schreien en zeuren. Daaarnaast produceert het kind ook
vegetatieve geluiden zoals niezen, boeren, slikken, zuigen en spugen. Het
schreien is in de eerste instantie een fysiologisch gebeuren, een gevolg van
reflexen en wordt daarom ook wel reflectorisch schreien genoemd. Door de
ouderlijke sussende of verzorgende reacties, zal het schreien zich
ontwikkelen tot een communicatiemiddel van het kind, als het merkt dat er op
zijn schreien gereageerd wordt. (0-8 weken) 2.
Kirren en lachen: kirgeluidjes worden geproduceerd op momenten waarop de baby zich
behaaglijk voelt, bijvoorbeeld als reactie op het glimlachen, het praten en
het aanraken door de moeder. Aanvankelijk, rond de 8 weken, komen de
geluidjes als aparte geluidjes voor, maar naderhand komen de kirgeluidjes ook
voor in reeksen van 3-10 geluiden. Vanaf 12 weken begint de baby minder vaak
te schreien en vanaf 16 weken treedt aanhoudend lachen op. (8-20 weken) 3.
Vocaliseren: dit stadium overlapt voor een deel
het vorige stadium. Maar na verloop van tijd verdwijnen de
kirgeluidjes die kenmerkend waren voor het tweede stadium en gaat de baby
spraakgeluiden produceren die zowel vocaal als consonant kunnen zijn. De baby
brengt in ontspannen toestand geluidjes voort waarbij hij de mondholte
openhoudt en de lucht vrij uitstroomt zodat meer vocaalachtige gluiden
ontstaan. Door de groei van het mondskelet, wordt de mondholte groter en
krijgt de tong meer ruimte om te bewegen, waardoor de spraakklanken iets meer
gevarieerd worden. Hoewel vocaliseren een rijpwording (groei van de
spraakorganen) is en geen door de omgeving aan te leren gedrag, kan het wel
worden gestimuleerd door tegen het kind te praten. (16-30 weken) 4.
Reduplicerend brabbelen: in deze fase gaat de baby zijn spraakorganen exploreren. Parallel aan
het ontdekken van het lichaam in deze periode, gaat het kind nu spelen met de
mondstanden. De baby brengt, eerst waarschijnlijk toevallig, later meer
doelbewust, sommige van de articulatoren, zoals de tong en de lippen in
beweging. Naast de ongespannen neutrale klinkers wordt nu ook het hele klinkerprogramma
geproduceerd en het kind produceert daarbij geluiden die zeer origineel en
gevarieerd zijn. Door te brabbelen ontdekt het kind de relatie tussen de
vocaal-motorische handelingen (produktie) en de auditieve gevolgen daarvan
(perceptie). Brabbelen wordt net als het vocaliseren door biologische rijping
bepaald. Dove kinderen of kinderen van dove ouders beginnen op dezelfde
leeftijd te brabbelen als normale kinderen. (normale kinderen moet opgevat
worden als niet-gehoorgestoorde kinderen) (25-50 weken) 5.
Niet-reduplicerend
brabbelen en expressief jargon: in
dit stadium gaat het kind gebruik maken van beklemtoning van bepaalde delen
van klankreeksen en intonatie, het hanteren van zinsmelodieën. De brabbels
van het kind worden als het ware aan de taal van de omgeving. Deze vorm van
brabbelen wordt dan ook wel aangeduid als het sociaal aangepaste brabbelen.
Het kind gaat inspanningen leveren die tot imitatie voeren, waarin het kind
zijn eigen vocalisaties probeert aan te passen aan de waargenomen geluiden. Door
de ontwikkeling van de auditieve perceptie kan het kind zijn imitaties
verfijnen. Opvallend is dat gehoorgestoorde kinderen de overstap van de
vorige fase naar de fase van het niet-reduplicerend niet kunnen maken zonder
gespecialiseerde hulp. Het ontbreken van de auditieve feedback en andere
talige invoer leidt tot storingen in de evolutie van het babbelen. (9-18
maanden) Het lijkt er dus op dat de
vroege spraakproduktie een biologisch bepaald ontwikkelingsschema volgt, dat
wel in zekere mate gevoelig is voor omgevingsfactoren. Dit wordt ook wel de
'verfijningstheorie' genoemd. Het brabbelen raakt steed
meer gericht op de omgeving en aldus gaat de prelinguale fase geleidelijk
over in de vroeglinguale fase van het betekenisvolle woordgerbuik. (één tot tweeëneenhalf jaar) In deze fase gaat het kind
van brabbelen naar het gebruiken van betekenisvolle woorden. Er worden twee
belangrijke stappen gezet in de taalontwikkeling; ten eerste gaat het kind
begrijpbare woorden gebruiken en ten tweede gaat het die woorden combineren
tot primitieve zinnetjes. De verdere ontwikkeling van klanken is ook van
belang, omdat klanken een betekenisonderscheidende functie hebben en het kind
die klanken dus moet beheersen om betekenisvolle woorden te maken. Omdat de
relatie klankvorm-betekenis arbitrair is, zoals de beroemde taalgeleerde F.
de Saussure begin deze eeuw formuleerde "de
relatie tussen de klankvorm en de betekenis van een woord is in het algemeen
arbitrair." [4] , is het leren van woorden van kinderen extra moeilijk omdat ze
zonder directe aanwijzingen moeten uit zien te zoeken welke betekenis bij
welke klankvormen hoort. De relatie klank-betekenis zou voor kinderen veel
makkelijker als alle woorden onomatopeeën als koekoek zouden zijn. De eenwoordzin: De eerste woorden hebben
meestal betrekking op objecten en handelingen van direct belang voor het
kind, zoals eten, speelgoed, het lichaam en kleren. Die eerste woorden hebben
vaak nog niet dezelfde betekenis als in de volwassenentaal. Belangrijk in
deze ontwikkeling is dat kinderen de symboolfunctie van taal gaan
onderscheiden. Anisfeld (1984) onderscheidt drie stadia in de ontwikkeling
van woordbetekenissen: 1.
De pre-symbolische fase; het kind begrijpt de betekenisfunctie van de
taal nog niet. De woorden zijn voor het kind slechts een onderdeel van
allerlei routinematige handelingen van de dagelijkse omgang. Het taalaanbod
van de omgeving lokt een bepaald handelingspatroon uit, maar van woordbegrip
bij het kind is nog geen sprake. "het volgende
voorbeeld uit de voormalige Sovjetunie maakt dat duidelijk. Een kind van 1
jaar moest getraind worden om naar een portret van Lenin te kijken als hem
gevraagd werd 'Waar is Lenin?'. Het leek inderdaad alsof het kind het woord
Lenin in verband bracht met het portret en dat het kind het woord dus
begreep. Maar toen het schilderij verwijderd was, bleef het kind zijn gezicht
op de vraag 'Waar is Lenin?' telkens naar dezelfde plek draaien. Het kind had
de vraag geassocieerd met de handeling van het omdraaien van het hoofd,
zonder enige relatie met het portret van Lenin." 2.
De persoonlijke symbolen fase: het kind ontwikkelt het besef dat
woorden verwijzen naar situaties, voorwerpen en emoties. De wereld van het
kind krijgt een extra dimensie, namelijk de wereld buiten de ik-persoon van
het kind. Kinderen gebruiken losse woorden vaak om commentaar te leveren.
Omdat het kind maar één woord hanteert waar een volwassene een hele zin zou
gebruiken, noemt men deze uitingen eenwoordzinnen of holofrasen. 3.
In dit stadium gaan woorden als gesocialiseerde woorden functioneren.
Er komen nog steeds afwijkingen van de standaard volwassenen betekenissen van
woorden voor. Kenmerkend voor de
vroeglinguale of de eenwoordfase zijn de overextensies, wat wil zeggen dat
een kind de betekenis van een woord ruimer opvat dan in de volwassenentaal
gangbaar is. Het verschijnsel overextensie kent een piek rond 18 maanden en
is 6 maanden later vrijwel helemaal verdwenen. Het leren van woorden van
de moedertaal door kinderen is in eerste instantie een onbewust proces. Het
kind heeft niet het besef het ene woord wel te willen leren en een ander
woord niet. Pas later gaan kinderen woorden bewust leren, dat bewuste leren
kan het verschil in woordenschat bij oudere taallerende kinderen verklaren.
Voor het bewuste, actieve leren van woorden is namelijk motivatie, inzet en
intelligentie wel bepalend. Een voorbeeld uit de literatuur illustreert het
bestaan van de aantrekkingskracht van een bepaald semantisch veld op
kinderen. Een semantisch veld is een verzameling van semantisch met elkaar
samenhangende woorden. Een kind zal de woorden uit een semantisch veld dat
hem aanspreekt eerder leren. Zo was de ene zoon van Kaper (1959) gefascineerd
door alles wat te maken had met tijd, zoals klokken, horloges, terwijl de
andere zoon veel meer op had met vervoermiddelen. Het grote verschil in
woordenschat, dus welke woorden de jongens leerden, was het resultaat van
aantrekkelijke semantische velden. De tweewoordzin: Het moment waarop
combinaties van meerdere woorden door het kind worden geproduceerd is
moeilijk vast te stellen. Er bestaat een overgangsperiode waarin losse
woorden geleidelijk dichter op elkaar worden uitgesproken. Op een zeker
moment worden de woorden zo dicht na elkaar elkaar uitgesproken dat de uiting
als een geheel kan worden opgevat. Door het gebruiken van tweewoordzinnen
ontdekken kinderen dat ze met taal en woorden allerlei dingen kunnen
benoemen, maar ook dat ze uitdrukking kunnen geven aan hun wensen en
verlangens. Tweewoordzinnen drukken casusrelaties uit. Brown (1973) [5] ontdekte dat met acht verschillende casusrelaties ongeveer 70 % van
de taaluitingen van kinderen beschreven kunnen worden. Brown constateerde,
evenals Schaerlakens [6] dat de woordvolgorde die kinderen hanteren in tweewoordzinnen, een
casusrelatie uitdrukt. |
||||
Eén van de kinderen die Schaerlakens
observeerde zei zowel Joost bed als bed
Joost. De uiting Joost bed bleek te betekenen dat Joost zich op het
bed bevond. In het geval van bed Joost
bedoelde het kind echter het bed van Joost. De volgorderegel werd tamelijk
consistent toegepast: Joost zou bijvoorbeeld ook auto papa zeggen als hij bedoelde dit is papa's
auto, maar papa auto zeggen als hij
wilde zeggen dat papa zich bij de auto bevond.
|
||||
|
|
||||
|
In de tweewoordfase gaat
het kind woorden met elkaar verbinden en is er sprake van syntactische
regels. Die syntactische regels zijn de casusrelaties die we kunnen onderscheiden.
Het kind gebruikt in de tweewoordfase syntactische regels en principes, wat
blijkt uit allereerst de combinatiemogelijkheden van woorden en ook uit de
volgorderestrictie waarvan de kinderen gebruik maken. Het kind moet in deze
fase als het ware keuzes gaan maken uit de aangeboren Universele Grammatica
die van toepassing zijn op zijn moedertaal. Elke regel van de Universele
Grammatica heeft beperkte keuzemogelijkheden. Zo'n regel van een variabele met beperkte
keuzemogelijkheden noemen we een parameter. Het kiezen van een kind, wat
overigens een geheel onbewust proces is, noemen we het fixeren van een
parameter. Dat fixeren kan een kind doen op basis van fixatie van andere
parameters, waar de nieuwe fixatie bij moet passen, of het fixeren kan afhankelijk
zijn van het aanbod uit de directe omgeving. Het inperken van die ruimte is
een belangrijk aspect voor het verklaren van het leerbaarheidsprobleem.
Zonder de Universele Grammatica zouden er te veel mogelijke grammatica's
zouden waaruit een kind nooit zonder expliciet onderwijs de juiste zou kunnen
kiezen. Het feit dat kinderen op jonge leeftijd zonder instructies in staat
zijn een taal te leren, is een grond voor de theorie van het aangeboden
taalverwervingsvermogen. De meerwoordzin: Door het gebruik van de
tweewoordzin is er sprake van een interactie, een communicatie tussen de
volwassene en een kind. Het taalgebruik van het kind heeft het egocentrische
karakter losgelaten en het kind gaat de taal meer en meer gebruiken met een
echte communicatieve bedoeling. Door het taalvoorbeeld dat de kinderen op hun
eigen taaluitingen krijgen, kunnen kinderen hun eigen taalgebruik opnieuw
afstemmen en hun taalvermogen verder ontwikkelen. Het kind produceert nog
steeds eenwoordzinnen of tweewoorduitingen, maar in deze fase gaat het kind
ook zinnen van drie, vier, vijf of meer woorden produceren. De zogenaamde
bedtime-monologen laten zien dat kinderen bezig zijn het maken van langere
zinnen te leren. In de bedtime-monologen liggen kinderen soms hardop in
zichzelf te praten. De voorbeelden zijn ontleend aan de klassieke studie van
Weir (1962): ü
Daddy. Daddy bucket
please. ü
Another big bottle. Big
bottle ü
What color? What color blanket? What color mop? What color glass? ü
Bobo's goes/ to the bathroom/ clean off. De taalproduktie is in
deze eindfase van de vroeglinguale periode nog niet voltooid, sommige
vaardigheden ontbreken nog systematisch. Een kind maakt in deze fase gebruik
van naamwoorden, werkwoorden en soms voorzetsels en bijwoorden. Het kind
gebruikt veel inhoudswoorden maar relatief weinig functiewoorden, zoals
lidwoorden, voegwoorden, voornaamwoorden, hulpwerkwoorden, waardoor het
praten een beetje op een telegramstijl gaat lijken. Die telegramstijl wordt
nog versterkt omdat de verbuigingen van zelfstandige naamwoorden en de
vervoegingen van werkwoorden achterwege blijven. (tweeëneenhalf tot vijf jaar) In de differentiatiefase
gaat het kind eigenlijk verder werken aan de baisvaardigheden die het in de
vroeglinguale periode heeft opgedaan. Het kind gaat zijn fonologie verfijnen,
zijn woordenschat en woordklassen uitbreiden, langere en meer volledige
zinnen vormen en als nieuw aspect van de taal kennis maken met de morfologie.
Uiteraard maakt het kind in deze fase nog fouten, maar dat zijn geen
afwijkingen in hun taalverwerving, maar het kenmerk van een
taalverwervingssysteem dat in ontwikkeling is. ü
Uitbreiding van de woordenschat en de woordklassen: Tussen drie en vijf jaar evolueert de woordenschat gemiddeld van
negenhonderd tot tweeduizend woorden. [7] In deze fase kent de woordenschat zowel een kwantitatieve als een
kwalitatieve groei. Die groei hangt samen met andere aspecten van de
taalverwerving, zoals het feit dat door uitbreiding van de syntaxis alle
woordklassen aan bod komen, maar ook omdat door uitbreiding van de
fonologische vaardigheden woorden met meer lettergrepen geen probleem meer
zijn voor het taallerend kind. Maar naast de syntaxis en de fonologie zijn
ook externe factoren van belang. De wereld van het kind wordt vergroot en het
alledaagse vertrouwde leven wordt doorbroken door bijvoorbeeld het bezoeken
van een kinderspeelzaal. Ook de evoluerende perceptie en de cognitieve
ontwikkeling van het kind speelt een rol bij de uitbreiding van woordenschat
en woordklassen. De kinderen worden zich bewust van van tijd, plaats, kleur
en kwantitatieve begrippen zoals groot, klein, allemaal, binnen. Die
bewustwording illustreert het besef van kinderen van de omringende
werkelijkheid en de structuren daarin. Bij de uitbreiding van de woordenschat of de woordklassen maakt een
kind bij de selectie van een woord uit een semantisch veld soms vergissingen.
Een kind kan de negatieve en positieve pool van een woord verwarren of een
woord dat als eerste uit een semantisch veld verworven wordt in een te brede
betekenis gebruiken. Een voorbeeld van
overextensie, als een kind een bredere betekenis aan het woord geeft dan
dat het in de volwassenentaal heeft. "Gerrit (2jr 6mnd) gebruikt als
eerste voorzetsel van plaats bij ,
heel consequent voor alle plaatsaanduidingen." Er is dus sprake van
overextensie, maar de betekenis van het woordje bij is voor Gerrit nog niet helemaal uitgewerkt. De evolutie van
de betekenis van dat woordje bij
zal bijgesteld worden als Gerrit andere voorzetsels en hun betekenis leert
kennen. Ook zijn toenemend besef van ruimtes zal de betekenis van zijn bij veranderen. Deze fase is bij uitstek de periode waarin een kind gebruik maakt van
zijn fantasie bij zijn eigen creatieve woordvorming, omdat de woorden die hij
heeft soms gewoon niet voldoen om alle gebeurtenissen te verhalen. Die
creatieve woordvormen worden ook wel neologismen of nieuwvormen genoemd. In
aansluiting op de levendige fantasie van kinderen van deze leeftijd, gaat een
kind ook dingen en wezens uit zijn fantasiewereld benoemen en een rol laten
spelen in zijn taalgebruik. In deze fase gaat het kind ook etymologiseren,
wat wil zeggen dat een kind zelf een verklaring gaat zoeken voor het feit dat
sommige begrippen een bepaalde klank hebben. ü
Ontwikkeling van de morfologie: Vergeleken bij andere talen is het Nederlands wat de morfologie
betreft een vrij arme taal naast bijvoorbeeld het Turks, Hebreeuws of het
Latijn (wat natuurlijk een dode taal is). De meervoudsvorming is het eerste
woordvormingsproces dat een kind leert in de differentiatiefase. Bij het
maken van meervouden volgt het Nederlandse taallerende kind een
ontwikkelingspatroon van goed naar fout naar goed, wat ook wel de changing
for the worse wordt genoemd. Maar de juiste vormen van het meervoud in het
beginstadium waren geen kenmerken van een ontwikkeling in het verwerven van
woordvormingsstructuren, maar een imitatie van het taalaanbod. De fouten die
het kind in de fase daarna gaat maken, zijn gebaseerd op de
overgeneralisaties die een kind toepast op de vorming van een meervoud vanuit
zijn kennis. Deze fouten zijn in strijd met het systeem van de volwassen
meervoudsvormen, maar de juiste toepassing van de kennis die een kind opdoet
vanuit zijn omgeving. De overgeneralisatie laat dus zien dat een kind het
besef heeft van het feit dat een meervoudsvorm uit twee delen bestaat. Pas in
de laatste fase leert het kind de juiste uitgang aan het juiste zelfstandig
naamwoord te plakken. Ook in de vervoeging van werkwoorden gaat het kind de
morfologie leren. Veronderstellend dat een kind de kenmerken persoon en getal
heeft kunnen afleiden uit het aangeboden gebruik van persoonlijke
voornaamwoorden, dan kan een kind afleiden dat werkwoorden veranderen
afhankelijk van de persoon of het getal. In eerste instantie zal een kind de
correspondentie in persoon en getal tussen het werkwoord en het onderwerp
toeschrijven aan dat ene werkwoord en niet als systeem voor de
werkwoordsvervoeging herkennen. Het toekennen van die eigenschap aan elk
werkwoord afzonderlijk is een woordspecifiek paradigma. Pas als het kind over
meer van die woordspecifieke woordparadigma's beschikt, kan het uit die
kennis afleiden dat er in de vervoeging van werkwoorden een algemene
structuur te herkennen valt. De woordspecifieke paradigma's veranderen dan in
een algemeen paradigma, namelijk de kennis van de morfologie van
werkwoordvervoegingen. ü
Het creatief vermogen van een kind: het kind ontdekt in de aangeboden taal structuur en regels en gaat
die zelf toepassen op allerlei woorden. Dit zijn geen fouten in het
taalgebruik, maar juist het structureel toepassen van bekende regels die een
kind kent. Er wordt hier wel gesproken van een regelontdekkende creativiteit,
wat wil zeggen dat een kind door het gebruiken en toepassen van regels de
juiste vormen van zijn moedertaal probeert te ontdekken. Een bekend voorbeeld
is de uitdrukking 'het pijnste plekje'. Volwassenen gebruiken dit zelfstandig
naamwoord vaak in zinnen zonder lidwoorden zoals 'ik heb pijn'. Voor een kind
is de aanwijzing van het lidwoord dat pijn een zelfstandig naamwoord is, dus
niet aanwezig. Het heeft dus geen aanleiding om te denken dat pijn een
zelfstandig naamwoord is. Sterker nog, het meerendeel van de kinderen vat
pijn op als een bijvoeglijk naamwoord en vervoegt pijn vervolgens heel netjes
volgens de regels van de trappen van vergelijking zoals ze die kennen van
andere bijvoeglijke naamwoorden; pijn-pijner-pijnst. Het pijnste plekje dus. [8] ü
De houding van het kind tegenover de buitenwereld: In deze fase komt het volledige proces van de communicatie tot stand.
Het kind gaat zijn taalgebruik bewust gebruiken om te communiceren om zijn
waarnemingen en ervaringen mee te delen. De communicatie van het kind wordt
gekarakteriseerd door het uiten van kritiek, bevelen, eisen, vragen en
antwoorden. ü
De fonologische ontwikkeling: het kind vervoltooid zijn fonologische ontwikkeling en slechts bij
uitzonderlijke of moeilijke medeklinkerverbindingen kan het kind nog
moeilijkheden in de spraak vertonen. (vijf jaar en ouder) De taal van het kind is in
deze fase een efficiënt communicatiemiddel met volwassenen geworden. De taal
van het kind is nu zo ver gevorderd dat er voor de gemiddelde luisteraar geen
verschillen met de standaard volwassentaal te horen zijn. Het kind heeft zich
de bouwstenen van zijn taal eigen gemaakt en leert met toenemende vaardigheid
deze bouwstenen te gebruiken in zijn taaluitingen. De grootste verandering in
deze fase is het feit dat de kinderen rond het vijfde levensjaar naar school
gaan en gestructureerd taalonderwijs krijgen. ü
De fonologische ontwikkeling is nagenoeg beëindigd. Het kind kan alle
afzonderlijke fonemen en foneemverbindingen gebruiken. De moeilijkste
verbindingen voor Nederlands sprekende kinderen zijn de sj, chr en sch aan
het begin van een woord en sp aan het einde van een woord, zoals bij het
overbekende 'weps'. Als een kind op deze leeftijd nog systematische
articulatiemoeilijkheden heeft, is het verstandig contact te zoeken met een
logopedist. ü
De omvang van de woordenschat van actieve woorden bij kinderen uit
het eerste jaar van de basisschool wordt naar een onderzoek van Kohnstam e.a.
in 1981 op 6800 woorden geschat. De eerste factor die van invloed is op de
uitbreiding van de woordenschat is de uitbreiding van de leefwereld van het
kind als het naar school gaat. Naarmate de kinderen ouder worden, kan het
lexion van kind tot kind gaan verschillen. Dit is het gevolg van
verschillende interesses, sociale contacten en verdere uitbreiding van de
leefwereld van het kind. De tweede factor die meespeelt bij de uitbreiding
van de woordenschat, zijn factoren van cognitieve en linguïstische aard.
Waren in de vorige fase de bijwoorden van tijd en ruimte nieuw, in deze fase
leert het kind de bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden die een modaliteit
weergeven. Ook de zelfstandige naamwoorden die afgeleid zijn uit die modale
bijwoorden en adjectieven, worden in deze fase verworven. Nog iets later
komen de werkwoorden die het standpunt van de spreker relativeren, zoals
geloven, betwijfelen en controleren. ü
Op het gebied van de syntaxis heeft het kind rond het vijfde
levensjaar de meeste regels van zijn moedertaal verworven. Kinderen gaan
verschillende soorten zinnen gebruiken, zoals bijvoorbeeld vraagzinnen. Maar
toch worden nog niet alle zinnen juist gebruikt of helemaal begrepen. Met
name met de onderschikkende voegwoorden en de passieve zinnen hebben de
kinderen moeite. In de ontwikkeling van een
kind zijn enkele biologische groeiprocessen genetisch vastgelegd zoals het
ontstaan van secundaire geslachtskenmerken. De ontwikkeling van die
secundaire kenmerken is tot op zekere hoogte afhankelijk van de omgeving. In
dit geval is de ontwikkeling afhankelijk van voeding omdat een kind anders
niet kan groeien. Maar de voeding is een trigger en geen leermateriaal omdat
het de ontwikkeling wel in werking zet, maar de aard van de voeding niet het
eindresultaat kan bepalen. De moedertaalverwerving vertoont overeenkomsten
met genetisch vastgelegde groeiprocessen. Beide groeiprocessen voltrekken
zich redelijk onafhankelijk van het aanbod van de omgeving, maar dienen wel
getriggered te worden. Andere kenmerken van de moedertaalverwerving die
overeenkomen met een genetisch vastgelegd groeiproces: *
De moedertaalverwerving komt voor bij alle mensen en is dus
kenmerkend voor de menselijke soort. *
De moedertaalverwerving is een spontaan proces. Een kind kan niet
weigeren om een moedertaal te leren. *
De moedertaalverwerving is een explosief proces. *
Het proces van de moedertaalverwerving voltrekt zich gedurende een
bepaalde periode in het leven van een mens. Die bepaalde periode
waarin een kind in staat is de moedertaal te verwerven wordt ook wel de
kritieke periode genoemd. Erik Lenneberg droeg de
hypothese van de kritieke periode uit. Een kind moet voor het bereiken van
een bepaalde leeftijd, ongeveer 12 jaar, in staat gesteld zijn om de
grammaticale bijzonderheden van zijn taal te verwerven, omdat het kind er
daarna niet zonder diverse problemen in zal slagen. [9] De leeftijd van twaalf heeft te maken met het feit dat de
taalontwikkeling min of meer gelijk moet lopen met de groei van de hersenen
en dat die groei omstreeks het twaalfde jaar langzamerhand tot stilstand
komt. Er zijn nogal wat
biologisch gestuurde processen die een zogenaamde krtitische periode kennen.
De kritieke periode houdt in dat er voor bepaalde aspecten van de
ontwikkeling periodes zijn, waarin bepaale triggers zorgen voor een normale
ontwikkeling van het gedrag De kinderen van de koning
Psammetikos zouden bewijs hebben kunnen leveren voor deze theorie, dat
kinderen die gedurende een bepaalde tijd geen taalaanbod krijgen, niet meer
in staat blijken te zijn om een normale kennis van de grammatica te
ontwikkelen. Naast het verhaal van Psammetikos, opgeschreven door de Griekse
geschiedschrijver, doen meer verhalen de ronde over kinderen die opgroeiden
zonder verbaal contact met andere mensen en vanaf een bepaalde leeftijd wel
een taalaanbod zullen krijgen. De verhalen over het bestaan van zulke wolfskinderen
zijn vaak oncontroleerbaar, maar er zijn enkele gevallen bekend die op
waarheid berusten. In 1920 werden de meisjes
Kamala en Amala in Bengalen in India letterlijk uit een wolvennest gehaald.
De meisjes waren respectievelijk zes jaar en drie jaar oud en waren opgevoed
door drie wolven. De Indiase zendeling J. Singh nam de meisjes mee naar zijn
weeshuis. De meisjes spraken niet en vertoonden volgens ooggetuigen
eigenaardige eigenschappen, zoals hoektanden als wolven, lichtgevende
helblauwe ogen, het voortbewegen op de manier van wolven en het huilen rond
middernacht, waarvan sommige waarschijnlijk ontsproten zijn aan de fantasie
van de mensen. Maar de meisjes renden razendsnel op handen en voeten, jaagden
op de kippen en aten het liefst bedorven, rauw vlees. Hun gezichten hadden
geen enkele uitdrukking of expressie en ze maakten ook nooit gebaren naar
elkaar. De meisjes hadden ook met elkaar in het wolvengezin geen gesproken
taal ontwikkeld. Op de leeftijd van drie en zes jaar hebben de meeste
kinderen zich hun moedertaal voor een groot deel eigen gemaakt, maar zouden
Amala en Kamala nog in staat zijn een taal te leren? Dominee Singh hield een
dagboek bij van de taalontwikkeling van de meisjes. Amala, de jongste van de
twee lijkt als eerste iets door te krijgen van de menselijke taal. De
domineesvrouw vertelt de meisjes altijd simpele verhaaltjes aan de hand van
de platen aan de muur. Ze wijst dingen aan en laat de meisjes de woorden
herhalen. Tijdens het eten probeert ze ongeveer op dezelfde manier de meisjes
woorden te leren. Telkens als de meisjes iets te eten krijgen, geeft de
domineesvrouw er een naam bij, die ze blijft herhalen tot het eten op is.
Dezelfde woorden die ze bij het eten gebruikt, komen voor in haar verhalen bij
de platen. Op een dag kijkt Amala op naar de platen van de muur als ze een
van de woorden voor eten en drinken hoort die de domineesvrouw zo vaak
herhaald heeft. Amala lijkt de woorden te herkennen. Het is ook Amala die
kort na hun ontdekking 'bhoo bhoo' zegt als ze naar het water loopt en al
snel daarna gaat ze hetzelfde geluid maken als ze dorst heeft. Amala pakte de
draad van het taalontwikkelen op en haar leeftijd had haar eventueel in staat
gesteld een redelijk taalvermogen te ontwikkelen, maar helaas sterf ze binnen
een jaar. Pas na drie jaar komen bij
Kamala de eerste woorden, o.a. voor ik, rijst, ja, nee en eten. Maar ze zal
niet snel iets uit zichzelf zeggen en vaak heeft ze ook geen antwoord op een
vraag. Ze heeft de neiging alles wat ze zegt in te korten en de uitspraak te
vereenvoudigen. Als Kamala negen jaar na de ontdekking sterft, heeft ze in
totaal dertig woorden geleerd. Van veel recenter datum is
de zaak van het meisje dat bekend is geworden onder de schuilnaam Genie.
Genie werd geboren in 1957, in Californië, maar haar zwaar prychopatische
vader had het meisje toen ze twintig maanden opgesloten in een klein
kamertje. Zijn zieke geest dacht dat hij Genie moest beschermen tegen de
afschuwelijke buitenwereld. Jaren achtereen zat Genie opgesloten in het
kamertje, vastgebonden op een po-stoeltje met een keurslijf waarin ze alleen
haar handen, voeten, tenen en vingers kon bewegen. Er kwam nauwelijks licht
de kamer binnen want de ramen waren dichtgeplakt op een klein streepje na. Af
en toe kreeg Genie een oude televisie-gids of een leeg luciferdoosje om mee
te spelen. En afgezien van een zachtgekookt ei, kreeg Genie alleen
babyvoedsel te eten, als ze tenminste niet vergeten werd. Er viel dus niet
zoveel te beleven voor Genie, want er praatte ook nooit iemand tegen haar.
Haar vader kon niet tegen geluid en er was geen radio of televisie in huis.
Het enige wat Genie ooit hoorde was het gevloek en getier van haar vader als
hij boos was. En als Genie zelf een geluid maakte of huilde omdat ze pijn of
honger had, kwam haar vader naar boven om haar met een stok te slaan. Of hij
ging voor haar deur staan grommen als een hond. Pas toen Genie dertien
jaar en zeven maanden was, vond haar vrijwel blindemoeder de kracht om bij
haar man, die haar mishandelde, weg te gaan. In november 1970 stapte ze op
een dag met haar ook al blinde moeder en haar dochter het bureau van de
sociale dienst van Los Angeles binnen. Genie werd naar het ziekenhuis
gebracht omdat ze zwaar ondervoed was, ze woog zevenentwintig kilo en was
maar een meter dertig lang. Maar er was wel meer mis met Genie; zo kon ze
haar armen en benen niet strekken en haar ogen maar tot op een afstand van
vier meter scherp stellen, want groter was haar omgeving nooit geweest. Genie
leek geen verschil te zien tussen mensen en dingen. Ze reageerde niet op
mensen en keek ze niet aan. En ze praatte niet, meestal maakte ze geen enkel
geluid. Het enige wat men haar in het ziekenhuis ooit hoorde zeggen was
'houwop' en 'nietmeer' en dan had ze het meestal tegen zichzelf. Maar het
verzorgend personeel praatte wel tegen Genie en na een lange tijd hoorde ze
weer taal en ze leek een paar woorden te begrijpen, zolas mama, konijn, deur
en wat kleuren. Waarschijnlijk was ze net begonnen haar eerste woordjes te
leren, toen haar vader haar in isolement opgesloten had. Genie was een uniek geval,
een soort modern wolvenkind. Het noodlot van Genie had voor een anders
onaanvaardbaar experiment gezorgd. Toen Genie gevonden werd, was er binnen de
taalkunde een discussie gaande over de aangeboren taalvermogentheorie van
Noam Chomsky. En enkele jaren daarvoor had de neuroloog Eric Lenneberg, op
basis van onderzoek bij kinderen die een hersenbeschadiging hadden opgelopen,
geconcludeerd dat er een kritieke periode moest zijn in de taalverwerving.
Genie was het onuitvoerbare experiment van 'een kind tot zijn puberteit laten
opgroeien in een taalloze omgeving'. Maar zou Genie de hypothese van de
kritieke periode kunnen bekrachtigen? Taal horen en toegesproken
worden had effect op Genie en vlak nadat ze in het ziekenhuis was opgenomen,
leek Genie te begrijpen wat de mensen tegen haar zeiden en begon ze langzaam
te reageren. En ook al was het dikwijls onverstaanbaar, Genie was begonnen
met praten. Haar nabootsing van klanken en spontane productie van nieuwe
woorden is een kenmerk van de vroege taalverwerving van kinderen. Maar Genies
taalontwikkeling bleef verre van normaal en leek de theorie van Lenneberg te
ondersteunen. Op geen aspect van de taal lukte het Genie zich volledig te
ontwikkelen. Het duurde bijvoorbeeld erg lang voordat Genie een intonatie in
haar taaluitingen ging proberen te leggen en uiteindelijk slaagde ze er niet
in om te praten met de juiste intonatie. Daarnaast was de uitspraak van
woorden een groot probleem. Net als Kamala kortte Genie de woorden vaak in.
Of ze stopte er juist een klinker bij om de uitspraak te vergemakkelijken.
Alle kinderen die een taal verwerven gaan door deze fase heen, maar het
verschil bij Genie was dat ze in deze fase bleef steken. Wel leerde Genie
heel veel nieuwe woorden, maar het in de goede volgorde zetten was het
probleem. Genie bleef in een telegramstijl praten. Er is nadrukkelijk
geprobeerd Genie te onderwijzen in de taal maar daarvan raakte ze zo in de
war dat ze onbegrijpelijke combinaties van woorden ging maken. Toen de
nadrukkelijke instructies om taal te leren ophielden, ging Genie weer gewoon
haar eigen ding zeggen als 'no spit bus'. Kamala en Genie lijken de
hypothese van de kritieke periode ten dele te bevestigen. Beiden waren ze
niet meer in staat gewoon een taal te leren. Opvallend bij de meisjes is dat
ze niet in staat waren om de grammatica van een taal te leren, terwijl ze nog
wel nieuwe woorden konden leren. Maar wat gebeurt er precies in die kritieke
periode? Op de een of andere manier groeit het vermogen om grammaticale
structuren te bouwen en te begrijpen. Die groei moet wel in gang gezet worden
door taalaanbod, want zonder taal in de omgeving zijn kinderen niet in staat
de moedertaal te leren. Blijkbaar hebben kinderen wel een trigger nodig om
het taalverwervingsmechanisme in gang te zetten. Maar waaruit bestaat de
voeding = nurture van het primaire taalaanbod van een kind, dat een kind in
staat stelt een taal te leren? Poverty-of-the-stimulus
argument Een algemeen aangeboren
leervermogen als verklaringsgrond voor het taalverwervings-proces? Volgens de
visie van het algemeen aangeboren leervermogen kan een kind een taal leren
uit de woorden en zinnen die het hoort, het leren van een taal is inprentingsleren.
Uit het taalaanbod kan het kind zijn over de systematiek van de grammatica
van de moedertaal afleiden. In deze visie is wordt de kennis van de
grammatica dus geleerd en is die kennis niet aangeboren, zoals bij de theorie
van het aangeboren taalverwervingsvermogen wordt verondersteld. Deze theorie
veronderstelt het leren van een taal als ontwikkelingsleren. Bij die visie
wordt ervan uitgegaan dat het verschil tussen het taalaanbod van de omgeving
en de complexe structuur van de interne grammatica zo groot is, dat een kind
uit dat aanbod een taal niet kan leren met alleen een aangeboren algemeen
leervermogen. Het argument van de armoede van de stimulus ondersteunt de
visie van het aangeboren taalverwervingsvermogen. Het argument van de
armoede van de stimulus houdt in dat de stimulus oftwel het taalaanbod van de
omgeving, te arm aan informatie is om een kind in staat te stellen uit dat
aanbod een volledige en juiste interne grammatica te reconstrueren. |
||||
|
"Als taal niet aangeboren zou zijn dan zou een kind
zijn taalkennis moeten verwerven door memoriseren en imiteren van wat het te
horen krijgt. Dat is echter onmogelijk als de kennis die het kind verwerft,
elementen bevat die het kind niet geleerd kán hebben via imitatie, omdat het
nooit geconfronteerd is geweest met de desbetreffende gegevens. Een
voorbeeld: a)
Jan slaat de
hond met de stok. b)
Met de stok
slaat Jan de hond. Zin a) heeft twee interpretaties, namelijk
een interpretatie waarin Jan de stok als instument heeft en een interpretatie
waarin de hond de stok bij zich heeft. De tweede zin b) heeft alleen de
interpretatie dat de stok het instrument is van Jan. Elke moedertaalspreker
van het Nederlands weet dat, alleen kan hij dat nooit geleerd hebben uit het
taalaanbod. Want hoe kan je uit het gebruik van een zin afleiden dat een
bepaalde interpretatie er niet is? Evenmin vertellen ouders hun kinderen dat
zin a) twee interpretaties heeft en zin b) daarentegen maar een
interpretatie. Toch weet ieder kind van zes dat zinnen zoals a) afwijkend
zijn. de conclusie van dit voorbeeld is dat de kennis van het ontbreken van
de stok-van-de-hond interpretatie geworteld is in ons aangeboren
taalvermogen."
|
||||
|
|
||||
|
Onder het taalaanbod wordt
meestal de spraak verstaan, waaraan de kinderen bloot staan. Het taalaanbod
waaraan een kind wordt blootgesteld, geeft vaak maar een beperkte informatie
over de juiste regels van de taal die een kind moet leren. De aard van het
taalaanbod kan verdeeld worden in de aanwezigheid van positieve evidentie en
het ontbreken van negatieve evidentie. Het positieve materiaal
wordt ook wel het primaire taalaanbod genoemd. Positieve evidentie is het
bewijs dat een bepaalde vorm daadwerkelijk bestaat in de te verwerven taal.
Het kind is bij zijn moedertaalverwerving afhankelijk van het positieve
materiaal, de vormen die hij door volwassenen in zinvolle contexten hoort
gebruiken, de zinnen die ze in een gewoon en spontaan taalgebruik tot kind
gericht worden. Een belangrijke beperking van het positieve materiaal is dat
de zinnen die kinderen horen geen openlijke informatie bevatten over de
stuctuur en betekenis van die zinnen. Ondanks dit gebrek aan geboden
informatie blijken kinderen toch in staat de regels van de grammatica te
leren. Een ander nadeel is dat de kinderen lang niet alle grammaticale zinnen
van een taal aangeboden krijgen. De kinderen krijgen in hun
aanbod niet alleen geen informatie over structuur of betekenis, er is ook een
gebrek aan informatie over ongrammaticale zinnen. Door het ontbreken van
negatieve evidentie kan een kind uit zijn taalaanbod dus ook niet opmaken
welke taaluitingen niet goed zijn. Toch kan een taallerend kind
ongrammaticale zinnen vermijden of uitsluiten om tot de juiste grammatica van
de moedertaal te komen. De beperkte aard van het
taalaanbod, het gebrek van de positieve evidentie en het ontbreken van
negatieve evidentie, is een sterk argument voor de veronderstelling dat een
kind over het aangeboren taalvermogen van de Universele Grammatia beschikt.
Zonder de kennis van die universele principes, zou het aanbod onvoldoende
voor een kind zijn om het complexe systeem van de grammatica te leren
beheersen. Bovendien is er nog een
probleem met het postieve materiaal, namelijk dat bepaalde taaluitingen die
volwassenen tot het kind richten wel ongevormd zijn. Volwassenen praten niet
altijd in goed gevormde zinnen, maar het taallerend kind lijkt geen hinder te
ondervinden van de fouten die volwassenen maken. Het vermogen van kinderen om
dit fout-gevormde taalaanbod buiten te sluiten, is een ander argument voor
het aangeboren taalverwervingsvermogen op basis van het argument van de
armoede van de stimulus. In 1972 publiceerde Snow [10] een studie die de feitelijke basis voor de bewering, dat spraak naar
kinderen toe rijk aan misleidende fouten en onwelsprekendheden, in twijfel
trok. Snow had ontdekt dat de taal van de moeder naar kinderen speciale
kemerken had die contrasteerden met de spraak van volwassenen onder elkaar of
met oudere kinderen. De taal van de moeder is kenmerkend welbespraakt en
begrijpelijk, met minder aarzelingen of een gemompelde of ingeslikte
uitspraak, grammaticaal juist met weinig uitingen die onwelgevormd zijn
volgens de regels van de volwassen grammatica. De zinnen zijn vaak kort
(zeseneenhalve woorden in een zin tegenover een zin van negeneneenhalve
woorden in een zin gericht naar een tien jaar oud kind), en de moeder maakt
veel gebruik van herhalingen; letterlijke herhalingen, maar ook variaties van
dezelfde boodschap in andere zinnen. Deze stijl van praten naar jonge
kinderen toe, kreeg de naam 'motherese'. Brown schreef in zijn
introductie van het boek van Snow and Ferguson (1977) [11] |
||||
"the
by-now overwhelming evidence of motherese refutes the rather off-hand
assertions of Chomsky and his followers that thepreschool child could not
learn language from the complex but syntactically denegerate sample his
parents provide without the aid of an elaborate innate component. But is has
turned out that parental speech is well formed and finely tuned to the
child's psycholinguistic capacity. The corollary would seem to be that there
is less need for an elaborate innate component than there first seemes to be.
|
||||
|
|
||||
|
Met andere woorden; het bestaan
van het motherese werd aangenomen als bewijs tegen de grote invloed van het
aangeboren taalverwervingsvermogen. Er werd geredeneerd dat er minder
noodzaak was om een complex, aangeboren taalverwervingsmechanisme te
veronderstellen, met complete principes van de Universele Grammatica, omdat
de moedertaal niet vervormd of misleidend is. Maar ondanks de bewering
van de taallerende kracht van het motherese, is niet bewezen dat deze
speciale vorm van praten met kinderen de noodzaak van een aangeboren vermogen
verminderen. In de eerste plaats wordt het argument van de armoede van de
stimulus niet beïnvloed door het bestaan van het motherese. Het feit dat
moeders korte zinnen, duidelijke en grammaticaal juiste zinnen gebruiken
beantwoordt niet aan het punt dat het taalaanbod de aard van de grammatica
van de moedertaal moet doen vaststellen. In het taalaanbod van het motherese
bieden de zinnen geen openlijk zicht op de mogelijke rangschikking van
mogelijke betekenissen in een zin en uit niets van het motherese kan een kind
afleiden welke zinnen ongrammaticaal zijn in de moedertaal. Ten tweede is het gebleken
dat het motherese een cultuurgebonden verschijnsel is. Buiten de Westerse
middenklasse wordt minder gebruik gemaakt van vormen van spreken tegen het
kind zoals het motherese. En omdat alle kinderen van alle klasses en culturen
normaal gesproken uitkomen bij een totale verwerving van hun moedertaal, kan
het gebruik van het motherese geen essentieel punt zijn voor het verwerven
van de moedertaal. "Aan de basis van talen ligt een aantal abstracte principers en
regels die voor elke taal gelden. Die regels en principes zijn de voorwaarde
voor 'taal'. Iedere afzonderlijke taal wordt daarmee een invulling van een
soort schema. En dat schema, zeg maar de grenzen waartussen taal kan liggen,
is biologisch bepaald." [12] De moedertaalverwerving is
een biologisch, genetisch vastgelegd proces. Kinderen uit alle culturen en
talen verwerven volgens dezelfde stadia hun moedertaal op een leeftijd waarop
minder ingewikkelde kennissystemen nog niet door hen geleerd kunnen worden.
De moedertaalverwerving is een kenmerkende eigenschap van de menselijke
soort. Elk kind is, onafhankelijk van zijn intelligentie, in staat een
menselijke taal te verwerven. Een ander kenmerk van het taalverwervingsproces
als biologisch bepaald is de explosiviteit van de vermogen; met een vliegende
start en in een betrekkelijk korte tijd is een kind in staat zijn moedertaal
te leren. De kritieke periode van het taalverwervingsvermogen is ook een
kenmerk van een biologisch, genetisch vastgelegd groeiproces. Het vermogen om een
moedertaal te verwerven is dus in een blauwdruk vast gelegd in onze hersenen.
Alle kinderen worden geboren met een aangeboren taalverwervingsvermogen,
waarin de universele eigenschappen van natuurlijke menselijk talen vast
liggen. Die Universele Grammatica stelt een kind, door het fixeren van
parameters, in staat zijn moedertaal te verwerven. De aanwezigheid van een
aangeboren taalverwervingsvermogen kan ook het leerbaarheidsprobleem en de
vliegende start die kinderen maken bij het verwerven van hun moedertaal
verklaren. Maar met alleen dat
aangeboren taalverwervingsvermogen kan een kind niet tot beheersing van de
moedertaal komen. Het taalaanbod stelt het kind in staat aan die aangeboren,
universele taalkennis de taalspecifieke taalkennis van de moedertaal toe te
voegen. Zo bleek dat bij het ontbreken van taalaanbod in de kritieke periode,
bij Genie en Kamala, een kind niet in staat is om het aangeboren taalvermogen
te exploiteren. De verwerving van de moedertaal zet wel bij alle kinderen in,
maar voor het evolueren van de kennis zijn de omgevingsfactoren wel van
belang voor het triggeren van het proces. Zo bleek dat bij dove kinderen het
proces wel in werking wordt gezet, maar dat het ontbreken van auditieve
feed-back en andere taalinvoer ervoor zorgt dat de ontwikkeling van de
moedertaal stagneert. Met name prelinguale doofheid heeft ingrijpende
gevolgen voor het proces van de moedertaalverwerving. Daarentegen is de veronderstelling
dat kinderen de taal leren door het primaire taalaanbod, ook niet geheel
juist. Het primaire taalaanbod is wel een noodzakelijke, maar geen voldoende
voorwaarde voor het verwerven van een moedertaal. Het argument van de armoede
van de stimulus laat zien dat het taalaanbod van de omgeving te arm aan
informatie is om de kloof tussen de aangeboden taal en de interne grammatica
te overbruggen. Het motherese biedt geen sluitende verklaring om het
aangeboren taalverwervingsvermogen uit te sluiten, want de moedertaal
ontbeert ook de negatieve evidentie die een kind nodig heeft om tot een
volledige kennis van zijn moedertaal te komen. Daarnaast blijkt dat kinderen
in culturen waar het motherese niet gebruikt wordt, zoals Zuid-Amerika en
Nieuw-Guinea, ook tot een normale taalverwerving komen. Het verwerven van
moedertaal is dus niet aangeleerd of aangeboren, maar een noodzakelijke
samenwerking van het aangeboren taalverwervingsvermogen met het taalaanbod
uit de omgeving, oftewel Nature
én Nurture. Bronvermelding
v
GOODLUCK H.: Language
acquisition; a linguistic introduction. Cambridge, 19933. v
BESIEN F. VAN: Kindertaal; de verwerving van het Nederlands als
moedertaal. Amersfoort, 19852. v
Studies of child language
development. Red. C.A. Ferguson en D.A. Slobin. Amerika, 1973. v Native language and foreign language acquisition. Red. H. Winitz. New
York, 1981. v
DIJKSTRA A., G. Kempen: Taalpsychologie. Groningen, 19975. v
FRIJN J., G. De Haan: Het taallerend kind. Dordrecht, 1990. v
APPEL R.: Inleiding Algemene Taal Wetenschap. Dordrecht, 19942. v
SCHAERLAKENS A.M., S. Gillis: De taalverwerving van het kind.
Groningen, 19915. v
SCHAERLAKENS A.M.: De taalontwikkeling van het kind; een
oriëntatie in het Nederlandstalig onderzoek. Groningen, 19815. v
ELBERS L., F. Wijnen en W.A. van Loon-Vervoorn. 'Kindertaal en
moedertaal; de rol van de volwassene in de eerste taalverwerving.' In: Taal.
Red. P.J.G. Keuss, G. ten Hoopen en A.A.J. Manaerts. Amsterdam, 1993. v
KOOIJ J.G., S.C. Dik: Algemene taalwetenschap. Utrecht, 19916. v
ZIJLMANS M.: 'Taalgevoel kweken met blokjes en vakjes.' In: De
Volkskrant (sectie 'Weten'), oktober 1996. v
ZIJLMANS M.: 'De ukkies spreken duidelijke taal.' In: De
Volkskrant (supplement 'Weten'), juni 1996. v
BURGER P.: 'Kindertaal'. In: Onze Taal, februari/maart 1997.
Blz. 58-59. v
KOENEN L.: 'De frontaalkwab en andere taalgeheimen in de hersenen.'
In: Vrij Nederland, 24 september 1994. Blz. 48-51. v
KOENEN L.: 'De kleine wonderen van het menselijk taalvermogen.' In: Vrij
Nederland, 28 augustus 1993. Blz. 28-32. v
KOENEN L.: 'Een modern wolvenkind.' In: NRC Handelsblad (sectie
'Wetenschap & Onderwijs), 3 februari 1994. v
HAAN G. DE: 'Het pijnste plekje; over kindertaal.' In: De
literatuurkrant van Bulkboek, 1986. Blz. 50-51. v GLEASON J.B.: 'Talking to children; some notes on feedback.' In: Talking
to children; language input and acquisition. Red. C.E. Snow en C.A.
Ferguson. Cambridge, z.j. v
Prisma van de taal; 2000 taalkundige begrippen van A tot Z verklaard. Red. H. Kost. Utrecht, 1990. |
||||
|
|
||||
[2] Eimas (1971, Speech perception in early
infancy.
[3] Stark 'Prespeech segmental feature
development' in 'Language acquisition. Studies in first language
development' van Fletcher en Garman. Cambridge, 1979.
[4] Uit 'Het taallerend kind', Frijn & De Haan.
[5] Brown 'A first language: the early stages'.
Cambridge.
[6] Schaerlakens 'The two-word sentence in child
language development'. Den Kaag.
[7] E. Lennenberg (1966) 'The natural history
of language'. In 'The genesis of language' van F. Smith en G.
Miller.
[8] Gebaseerd op het artikel 'Het Pijnste plekje. Over kindertaal' van Ger de Haan.
[9] Eric Lenneberg 'Biological foundation of
language'. New York, 1967.
[10] C. Snow 'Mother's speech to children
learning language' 1972.
[11] C. Snow & C. Ferguson 'Talking to children'. Cambridge, 1977.
[12] Chomsky in een interview met de Nederlandse wetenschapsjournaliste Liesbeth Koenen. Uit 'Het vermogen te verlangen (negen letters). Gesprekken over taal en het menselijk brein.' Liesbeth Koenen. Amsterdam, 1990.